| Terug
naar de vorige
pagina.
|
|
| TE GAST: BONDEN NIET MET ONTWIKKELING MEE | |
|
Het
voorjaarsoverleg is mislukt. Het liep stuk op het prepensioen.
Vakbondsleden steunen hun vertegenwoordigers in hun verzet tegen de
kabinetsplannen. Is dit het einde voor het poldermodel? Eigenlijk
lag er een redelijk compromis. Het leek vooral te gaan om de leeftijd
waarop oudere werknemers kunnen stoppen. Maar in feite is het een
ordinaire machtsstrijd rond een zeer principieel punt. De echte reden
waarom de FNV het pensioenakkoord niet wil, is dat mensen met een baan dan
de vrijheid krijgen om zelf te kiezen: meedoen aan een collectieve
regeling of zelf iets regelen om een vervroegde pensionering mogelijk te
maken. Voor het kabinet is dat echter ook een principekwestie: burgers
moeten keuzevrijheid hebben. Volgens de bonden is dat de doodsteek voor de
prepensioenen, omdat jongeren dan “uitstappen” en het prepensioen voor
ouderen onbetaalbaar wordt. Solidariteit
is noodzakelijk, dat staat buiten kijf. Maar er zijn ook grenzen aan de
solidariteit. Anders komt de houdbaarheid van en draagvlak voor de
solidariteit uiteindelijk onder druk te staan. Solidariteit zou vooral
moeten gaan om basisvoorzieningen, dat wil zeggen solidariteit met mensen
die willen werken, maar echt niet kunnen werken (b.v. bijstand en WAO).
Moeten we mensen die voor hun 65-ste willen stoppen met werken fiscaal
subsidiëren? Zeker op een moment dat te voorzien is dat we in de toekomst
met zijn allen langer zullen moeten werken? Ook Nout Wellink, de president
van de Nederlandsche Bank, is van mening dat de luxe van prepensioen
onbetaalbaar is, en de Nederlandse economie geen goed doet. Door
al dat polderen in het verleden hebben de vakbonden een onevenredig grote
invloed gekregen op zeer uiteenlopende onderwerpen in Nederland: niet
alleen op de arbeidsvoorwaarden, maar ook op
de uitkeringen, de financiering van de zorg, het lastenniveau,
eigenlijk op het hele Nederlandse overheidsbeleid, tot het milieubeleid
toe. Het lijkt wel een tweede democratie, de polderdemocratie, waar
overigens niet de meerderheid bepaalt wat er gebeurt! Want de vakbeweging
heeft met haar beperkte, relatief oude en vaak werkloze of afgekeurde
ledenbestand in feite maar een smalle basis. De
vakbonden zijn uiterst behoudend en weinig vernieuwend. Ze sluiten hun
ogen voor de flexibilisering en individualisering van de arbeidsmarkt.
Alsof de wereld maakbaar is, maar deze verandert continu. We hebben te
maken met internationalisering en dus internationale concurrentie. De
diensteneconomie is bovendien een geheel andere dan de industriële
economie. De vakbonden lijken nog steeds uit te gaan van de kwade wil van
werkgevers alsof het nog de uitbuitende werkgevers uit de 19e
eeuw zijn. Ze gaan totaal voorbij aan het feit dat werknemers in de
huidige tijd een belangrijk deel van het “kapitaal van de werkgevers”
zijn en daar dus zuinig mee zullen omgaan. De
opstelling van de vakbonden in het dossier prepensioen toont aan dat de
vakbonden nog steeds oerconservatief zijn. Ze passen zich onvoldoende aan
nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij aan. Zo is een systeem als
last-in-first-out in deze tijd ook onwerkbaar! De vakbonden zouden zich
eens moeten afvragen waarom mensen in de dienstensector en jongeren zich
zo weinig aangetrokken voelen tot de vakbonden. Nu lijken de vakbonden
vooral gericht op het behartigen van de belangen van ouderen en niet
werkenden. Willen
we economisch mee blijven doen, dan zal Nederland zich moeten
onderscheiden op de wereldmarkt. En dat vraagt om creativiteit,
innovatie/kennis en flexibiliteit. Ook de arbeidsmarkt moet flexibeler
worden. Een behoudende opstelling van de vakbonden ten aanzien van de
flexibilisering van de arbeidsmarkt, beïnvloedt de concurrentiekracht
negatief. En uiteindelijk bewijzen ze daar de Nederlandse werknemers geen
dienst mee. In
een recent interview zei Lodewijk de Waal (FNV) dat ze de rekening voor
het mislukte voorjaarsoverleg zullen neerleggen bij de werkgevers: “We
hebben geen keus”. Hij erkent ook dat grootschalige acties de economie
zullen schaden. Er is echter wel degelijk een keus, die voor
concurrentiekracht, voor groei, voor werkgelegenheid én voor de
werknemers. Misschien is het mislukken van het voorjaarsakkoord zo slecht nog niet. Wellicht kan er nu een frisse wind waaien. Maar dat is alleen het geval als de bonden de komende tijd benutten voor een bezinning op hun positie en toekomst. Iets dat absoluut noodzakelijk is, willen ze in de toekomst nog een rol van betekenis kunnen blijven spelen. Aukje de Vries
|
|